Tag archieven: Hoger Onderwijs

HUB bouwt kamers op nieuwe campus (De Standaard, 7 maart 2013)

De plannen voor de campus Meyboom van de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB) krijgen vorm. Behalve les–lokalen, een turnzaal, een aula en een studentenfoyer komen er ook 78 studenten–kamers.

HUB wil campus Meyboom in September 2015 in gebruik nemen

De Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB) heeft concrete plannen om het tekort aan studentenkamers in Brussel aan te pakken. Op haar nieuwe campus Meyboom, op de hoek van de Broekstraat en de Zandstraat, realiseert de onderwijsinstelling 78 studentenkamers. ‘Er is een hoge nood aan studentenhuisvesting in Brussel’, zegt Wouter Ommeslag, hoofd facilitair beheer van de HUB. ‘Daarom zijn we blij met deze 78 kamers ons steentje te kunnen bijdragen.’

In het nieuwe gebouw komen er ook leslokalen en kantoren, maar belangrijker is dat er ook een turnzaal en een grote aula worden gepland. ‘Voor het vak Bewegingsopvoeding in de richtingen kleuter- en lager onderwijs hebben we een turnzaal nodig. Op dit moment huren we die in de Cellebroedersstraat, maar we willen er absoluut een op onze campus’, zegt Ommeslag. ‘Ook een grote aula is een must. Het wordt een hellende aula met zo’n vierhonderd plaatsen en ze wordt uitgerust met alle moderne, didactische materiaal.’

De renovatie en uitbreiding van het gebouw kosten zo’n 16 miljoen euro. De HUB hoopt om de campus Meyboom in september 2015 in gebruik te kunnen nemen. ‘De HUB zet sterk in op Brussel als studentenstad, dus zijn we tevreden dat we onze campus voort kunnen uitbouwen in het centrum van de hoofdstad’, besluit Ommeslag.

De naam van het gebouw werd vorig jaar door de studenten en het personeel van de HUB gekozen. De naam verwijst naar de meiboomplanting die elk jaar zowel in Brussel als in Leuven plaatsvindt. Dat gebeurt precies op de hoek van de Zandstraat en de Broekstraat, waar de nieuwe HUB-campus zich bevindt.

Nieuwe campus van HUB heet Meyboom (Het Nieuwsblad, 2 juli 2012)

RUSSEL – De HUB heeft er een nieuwe campus bij, waar in de toekomst studenten sociaal werk en lerarenopleiding terecht kunnen. Voor de naam organiseerde de hogeschool een wedstrijd, en daar kwam ‘Meyboom’ als winnaar uit.

Het nieuwe campusgebouw van de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB), dat gelegen is op de hoek van de Zandstraat en de Broekstraat, heeft eindelijk een naam. De HUB organiseerde in april een wedstrijd om een naam voor het ‘nieuwe’ gebouw te verzinnen, waarmee een iPad te winnen viel. Zo’n 85studenten en personeelsleden van de HUB dienden een naamvoorstel in.

Uit al die voorstellen is ‘Meyboom’ gekozen, een naam die verwijst naar de meiboomplanting die elk jaar zowel in Brussel als in Leuven plaatsvindt op 9augustus. Dat gebeurt precies op de hoek van de Zandstraat en de Broekstraat, waar de nieuwe HUB-campus zich bevindt.

Brussel versus Leuven

Maar niet alleen de verwijzing naar die middeleeuwse traditie is belangrijk in de naamkeuze. Er zit ook subtiel een verwijzing in naar het spanningsveld tussen Brussel en Leuven, want de HUB maakt deel uit van de associatie KU Leuven.

De winnaars van de wedstrijd, en dat zijn er zes, worden uitgenodigd voor een etentje in café De Meyboom. Bij de namen die het niet haalden, zien we onder meer Zandbroek, Peyo, ’t Zand en Sieen.

Wanneer het gebouw in gebruik zal worden genomen staat nog niet helemaal vast. De HUB is volop bezig met aanpassingswerken om er studenten van de opleidingen sociaal werk en de lerarenopleiding te kunnen ontvangen. Dat zou ten laatste in september 2015 het geval moeten zijn.

September 2014

‘Hoe vroeger hoe liever, natuurlijk’, zegt Wouter Ommeslag, een van de projectcoördinatoren van de nieuwe campus bij de HUB. ‘We mikken op september 2014, maar dat is zeer ambitieus. Januari 2015 is haalbaar, maar we bekijken nog of we de nieuwe campus niet beter bij de start van een academiejaar ‘verhuizen’ in plaats van bij het begin van het tweede semester.’

De vorige huurder van het het gebouw was Bloso. De HUB is al langer bezig met het samenbrengen van haar opleidingen in het centrum. In 2009 werd nog ‘tSerclaes in gebruik genomen, dat tegenover de oorspronkelijke Ehsal-campus ligt. Met het nieuwe gebouw erbij gaat ze verder op dat elan.

Studentensportkaart tegen september (Het Nieuwsblad, 24 maart 2012)

BRUSSEL – Bij het nieuwe academiejaar, dat start in september, willen de Vlaamse instellingen voor hoger onderwijs en Br(ik een studentensportkaart invoeren. Die moet ervoor zorgen dat studenten aan een goedkoper tarief kunnen sporten in de hoofdstad.

Sportinfrastructuur

‘We willen student en stad verbinden’, zegt Kasper Demeulemeester van Br(ik. ‘We willen de studenten de sportclubs en mogelijkheden tot sporten leren kennen en ze toegankelijk maken. Op die manier kan het studentenleven in Brussel nog verrijkt worden.’

De Vrije Universiteit Brussel (VUB) heeft al meer dan dertig jaar eigen sportinfrastructuur op de campus in Etterbeek. ‘Wij zijn eigenlijk de gangmakers van dit project’, zegt Dirk Van de Wiele, verantwoordelijke voor de sportdienst aan de VUB.

‘Wij hebben al jaren een clubkaart waarmee studenten en personeel van de VUB de sportfaciliteiten van de universiteit kunnen gebruiken. Ook de Erasmushogeschool (EhB) zit mee in dat systeem. We willen dat nu uitbreiden naar de rest van de hogescholen en universiteiten, want we willen zo veel mogelijk studenten aan het sporten krijgen.’

Aan de VUB kunnen de studenten dus vlot terecht om te sporten, maar in het centrum ligt dat moeilijker. ‘In Brussel-centrum is er bijna geen sportinfrastructuur’, zegt Van de Wiele. ‘Je kan er ook niet zomaar eigen infrastructuur inplanten. Daarom willen we kijken wat er al is en met partners afspreken om kortingen te geven aan studenten.’

De bedoeling is dat er een database ontstaat waarop studenten kunnen zien waar ze terecht kunnen om te sporten en waar dat kan aan een studentikoos tarief. ‘De studentensportkaart zal voor alle instellingen dezelfde lay-out hebben, om op die manier herkenbaarheid te creËren bij de sportclubs’, zegt Van de Wiele. ‘Op die manier hopen we die database dan zo ruim mogelijk te maken.’

Gereduceerd tarief

Studenten van de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB), die in het centrum zitten, mogen nu al aan gereduceerd tarief sporten aan de VUB. Daarover heeft de Stuvo HUB een overeenkomst met de VUB. ‘We werken zelf ook aan een aanbod’, zegt Wouter Ommeslag van Stuvo HUB. ‘We hebben een voltijds sportcoördinator in dienst die activiteiten voor studenten uitwerkt. We zijn nu bijvoorbeeld bezig met een start to run, om studenten klaar te stomen voor de 20kilometer.’

‘Net als vorig jaar kunnen studenten deelnemen aan de 20kilometer in het Br(ik-team’, zegt Kasper Demeulemeester. ‘En op 9mei houden we ook een Br(ik Futsal-cup. Op die manier brengen we studenten van de verschillende instellingen op een sportieve manier bij mekaar.’

VUB en HUB doen duit in het zakje (Het Nieuwsblad, 10 maart 2012)

BRUSSEL – Ook de instellingen voor hoger onderwijs zitten niet stil. Zowel de Vrije Universiteit Brussel (VUB) als de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB) zijn bezig met eigen huisvestingsprojecten om extra studentenkamers te realiseren.

‘De studentenkoten van de VUB zijn gebouwd in 1972′, zegt Sicco Wittermans, woordvoerder van de VUB. ‘Terwijl het de bedoeling was om ze oorspronkelijk maar tien jaar te laten staan, zijn ze er nu bijna veertig jaar. Daarom gaan we een inspanning doen om extra studentenkamers te bouwen.’ De universiteit plant maar liefst 650 nieuwe studentenkamers op de campus Etterbeek. Het nieuwbouwproject gaat daarnaast ook ruimte bieden voor onderwijs, onderzoek en administratie. Het totale project kost zo’n 50 miljoen euro. ‘In oktober wordt het definitieve ontwerp gekozen op basis van een architectuurwedstrijd die begin januari afliep’, zegt Wittermans. ‘De nieuwe koten zouden in het academiejaar 2015-2016 moeten klaar zijn.’

Ook bij de HUB zitten ze niet stil. ‘De HUB wil, liefst in samenspraak met Br(ik, nieuwe en grotere studentenhuizen creËren’, zegt directeur Dirk De Ceulaer van de HUB. ‘Wij werken met Stuvo HUB (de studentenvoorzieningen van de HUB, red.) aan een project met koten specifiek voor eerstejaars. Dat zou voor zo’n 60 procent een passagehuis moeten zijn: dat wil zeggen dat 60 procent na één jaar een ander kot moet gaan zoeken.’ Stuvo HUB is momenteel op zoek naar geschikte panden om zo’n studentenhuis te creËren, zegt Wouter Ommeslag van Stuvo HUB.

De Ceulaer laat zelf ook nog een ballonnetje op. ‘In Leuven zien we bijvoorbeeld dat de leegstaande ruimtes boven winkels ingericht worden als studentenkoten. Gezien de leegstand in de Nieuwstraat boven de winkels is dat ook misschien een piste’, denkt De Ceulaer. ‘Maar dan is er natuurlijk een beleid nodig dat dergelijke initiatieven stimuleert.’

HUB-studenten vieren Valentijn in studentenrestaurant De Mineen (Editie Pajot, 14 februari 2012)

Vandaag is het Valentijn en dat is ook aan de HUB niet onopgemerkt voorbij gegaan. Speciaal voor deze gelegenheid werd het studentenrestaurant DeMineen versierd met rode ballonnen in hartjesvorm en werd er een speciaal Valentijnsmenu geserveerd met o.a. Cupidosoep en een Valentijnsburger.

Daarnaast konden studenten ook gratis een Valentijns-sms sturen. Hun boodschap verscheen dan onmiddellijk op het grote scherm in DeMineen. Wouter Ommeslag van Studentenvoorzieningen HUB (StuVo): “Blijkbaar zitten heel wat van onze studenten met vlinders in hun buik want de sms’jes stromen vlot binnen. De videowall in DeMineen is nog maar enkele maanden in gebruik en wordt hoofdzakelijk gebruikt voor muziekclips tijdens de lunchpauze. In de toekomst willen we het scherm vaker inschakelen voor interactieve acties zoals deze”.

Studenten blokken nu ook op de campus (Het Nieuwsblad, 7 januari 2012)

BRUSSEL – Met de blok- en examenperiode in zicht zoeken studenten een plek om rustig te studeren. Steeds vaker blijkt dat de bibliotheek of een stille werkruimte op de campus te zijn.

Het is een fenomeen dat de jongste jaren steeds meer opvalt: studenten blijven op de campus van hun hogeschool of universiteit om te blokken. Stille ruimtes en bibliotheken worden overspoeld door studenten. In Gent en Leuven is het al helemaal ingeburgerd, maar ook in Brussel gaan studenten steeds vaker samen in een grote ruimte zitten blokken.

Te veel afleiding

‘Thuis wordt het steeds moeilijker om niet afgeleid te geraken tijdens het blokken’, zegt Marc Ophalvens, coördinator studentenbegeleiding aan de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB). ‘Door de nieuwe media, zoals Facebook en Twitter, ontstaan er sneller verleidingsmomenten die niet studiegerelateerd zijn. In een bibliotheek bestaat die afleiding niet.’

Maar dat is niet de enige reden. ‘In zo’n stille ruimte zitten ook andere studenten die echt willen blokken, zonder afleiding. Dat motiveert’, zegt Ophalvens. ‘Een gedrag dat je graag wil stellen, vergemakkelijkt ook als je je in een situatie begeeft die dat stimuleert.’

Studielandschap

Om aan de groeiende vraag naar zo’n studieruimtes te voldoen, heeft Stuvo HUB (de dienst voor studentenvoorzieningen van de HUB, red) alvast een aantal maatregelen genomen.

‘Vanaf 8januari creëren we een studielandschap in het Erasmusgebouw’, vertelt Wouter Ommeslag van Stuvo HUB. ‘Daar zal een student-toezichter aanwezig zijn, zodat de rust en stilte gegarandeerd zijn. Voorts hebben we afspraken gemaakt met de bibliotheek van de Nationale Bank, zodat studenten daar ook tijdens de examenperiode terecht kunnen. En natuurlijk blijven ze welkom in onze eigen bibliotheek in T’Serclaesgebouw.’

Maar het blokken in stille ruimtes beperkt zich niet langer tot de blok- en examenperiodes, stelt Ophalvens vast. ‘Ook tijdens het jaar blijven studenten na de les vaak hangen in een lokaal of de bibliotheek om er rustig te werken. Omdat thuis of op kot studeren niet altijd vlot gaat. Door het toenemende aantal groepswerken moeten studenten vaak op school afspreken om die te maken en dan ontdekken ze dat ze er ook op hun eentje veel beter kunnen doorwerken.’

Restaurant De Mineen vervangt eet-bunker (Het Nieuwsblad, 7 oktober 2011)

BRUSSEL – Het studentenrestaurant De Mineen in de Hogeschool-Universiteit Brussel heeft gisteren de deuren geopend. Er is plaats voor 500 studenten. Het wekt allerminst een reftergevoel dankzij de design inrichting.

Het restaurant zou normaal vorig academiejaar openen, maar de bouw liep heel wat vertraging op. ‘We kampten onder meer met waterinsijpeling’, vertelt Wouter Ommeslag, projectleider van De Mineen. ‘Sinds november vorig jaar konden studenten er wel al terecht. Sindsdien hebben we het restaurant voort afgewerkt.’ Het is nu helemaal af.De Mineen is gevestigd in de kelderverdieping. ‘Vandaar de naam. We hebben de kelder en een deel van de parking omgebouwd. Hier kunnen dagelijks 500 studenten eten. De pauzes op school worden ontdubbeld waardoor we elke plaats eigenlijk dubbel kunnen gebruiken. Zo spreiden we ook de wachttijd.’

Ommeslag is trots op het project, dat samen met A2D Architects uit Tervuren werd gerealiseerd. ‘Voordien noemden de studenten deze verdieping de bunker. We wilden absoluut dat keldergevoel en die bijnaam kwijt. Ik denk dat we daarin geslaagd zijn. Dit is zo’n beetje de Lunch Garden voor studenten. Er heerst hier alleszins niet het typische reftergevoel.’

Studenten zullen er dagelijks kunnen kiezen uit verse soep, een dagschotel, pasta- en andere schotels, broodjes en snacks. Alles wordt bereid door een kok van de HUB en Sodexo Catering.

De ruimte ademt design. ‘Kers op de taart is onze centrale videowall. Die bestaat uit vier grote flatscreens waarop we activiteiten en boodschappen aankondigen. Tijdens de middagpauzes kunnen we ook muziekclips laten zien of sportwedstrijden. Ook onze boots zijn zeer geslaagd. Daarin kunnen studenten wat intiemer lunchen.’

Zoektocht voorbij

Voor veel studenten komt er met De Mineen een einde aan een zoektocht naar een eetplekje.

Zo ook voor Paul De Letter die in zijn tweede jaar Medische Beeldvorming zit.

‘Ik ben blij dat het nieuwe studentenrestaurant eindelijk volledig operationeel is’, vertelt Paul. ‘Het is een mooi concept. Het is hier veel groter geworden, toch heerst er nog altijd een gezellige sfeer. Het is een beetje lounge en dat bevalt me wel. De videowall is de moeite waard.’

Toch zijn er ook nog enkele minpuntjes. ‘Het blijft lang aanschuiven om eten te bestellen’, meent Paul De Letter. ‘Andere studenten hebben een half uur later middagpauze, maar tegen dan staan wij vaak nog aan te schuiven. Toch ben ik blij dat ik ’s middags niet meer moet op zoek gaan naar een plekje om te eten. Meestal zit in Brussel ’s middags ook alles vol. Ik eet hier warm, zodat ik ’s avonds op kot geen eten meer hoef te bereiden.’

Plechtige opening Studentenrestaurant De Mineen

Dames en heren

Vandaag openen wij officieel het restaurant De Mineen. Het thema van deze

opening is Brussel, daarom zullen wij de geschiedenis van De Mineen in het

Brussels vertellen en met stripfiguren.

Het verhaal van De Mineen begint eigenlijk bij een zekere ‘Madam Pijp’. Madam

pijp had met haar studentenvoorzieningen lang gespaard om de groeiende groep

hongerige studenten van een studentenrestaurant te voorzien. Jaar na jaar

rapporteerde zij aan Grote Smurf dat ze zou blijven sparen tot hét moment daar

was.

Intussen 3 jaar geleden kwam Kuifje Madam Pijp vervoegen. En wie kuifje een

beetje kent, weet dat eten meteen bovenaan zijn prioriteitenlijstje kwam te

staan.

Het eerste plan van Madam Pijp en Kuifje was om op de eerste verdieping van de

Grote Groene Paddenstoel in de stormstraat om te bouwen tot

studentenrestaurant. Statler en Walldorf waren op dat moment echter al aan het

dromen van een nieuwe campus.

Madam Pijp en Kuifje gingen op zoek naar een alternatief en lieten hun oog laten

vallen op de kelder van T’Serclaes. Zij legden samen met Statler en Walldorf

contacten met de eigenaar en niet snel nadien werd niet alleen de kelder, maar

het volledige gebouw gekocht.

De ploeg werd versterkt met een tekensmurf (ook bekend als ‘skieve architect’)

en heel wat knutselsmurfen. De kelder werd uitgebreid met een deel van de

parking, in het kader van een auto-voor- voedselprogramma.

Als we een restaurant gingen openen, hadden we ook kooksmurfen nodig. Een

kooksmurf vonden we op een Koninklijke Weg, de andere kooksmurfen kwamen

uit de stam der Sodexianen.

De tijd was echter heel krap voor de knutselsmurfen om te bouwen en alles zou

maar net op tijd klaar zijn Ze kregen echter te maken met de Gargamel van het

Water. Daardoor viel de opstart begin september ook in het water. De

knutselsmurfen werkten lange dagen en weekends door en uiteindelijk konden

de kooksmurfen op 3 november voor de eerste keer koken.

De Mineen was echter nog niet af! Tekensmurf ontwierp meubilair dat door de

knutselsmurfen geplaats werd tijdens verschillende vakanties. Er werd licht

geschapen in de duisternis met nieuwe lampen en verf versierde de muren.

De laatste afwerking, het plaatsen van de video wall, was net klaar.

Dit beste mensen, is het verhaal van De Mineen. Een verhaal waar vele figuren,

zoals Stadler & Waldorf, de vele knutslsmurfen, kooksurfen, Grote Smurfen en

Madam Pijp & Kuifje volledig voor gegaan zijn. Zij hebben deze duffe kelder en

parking gemaakt tot wat het nu is: een écht studentenrestaurant.

Dankuwel!

Waarom de slaagcijfers dalen en wat er aan te doen

Waarom de slaagcijfers dalen?

Slechts 28% van de studenten zou slagen in het eerste jaar Hoger Onderwijs (DS 11/3/2011). Er wordt met een beschuldigende vinger gewezen naar de flexibilisering. De flexibilisering is zeker een van de oorzaken, maar is er meer aan de hand.

Instroom

De instroom in het hoger onderwijs is breder en diverser geworden op allerlei vlakken. Verder studeren is een ‘must’ geworden, een bachelor een minimum en als het even kan een master. Studenten vatten door deze druk in een aantal gevallen een opleiding aan zonder over de juiste aanvangscompetenties te beschikken. Zo zagen we in academiejaar 2008-2009 73 studenten uit het TSO inschrijven voor de opleiding Handelswetenschappen. Daarvan haalde slechts 12% een studie efficiëntie van 75%. Dat wil dus zeggen dat 12% van de studenten voor 75% of meer van het aantal studiepunten een credit of een getolereerde onvoldoende behaalden. Bij hun collega-studenten van het ASO was dat 46%.

Bij de professionele opleidingen zien we een gelijkaardig fenomeen. Waar in 2005-2006 8 studenten uit het BSO de opleiding kleuteronderwijs aanvatten, is dat in 2009-2010 verdrievoudigd. Hun studie efficiëntie bedroeg 40%, dat van hun collega’s uit het TSO 68% en uit het ASO 71%.

Daarnaast neemt ook het aantal studenten met taalachterstand toe, door de instroom van allochtone groepen.

Flexibilisering

De flexibilisering is zou ‘an sich’ voor een stijging van het slaagpercentage moeten zorgen. Studenten kunnen immers op hun eigen ritme studeren, en het aantal studiepunten dat ze opnemen afstemmen op hun persoonlijke situatie: vooropleiding (zie hierboven), persoonskenmerken,etc. In de praktijk merken we echter dat een overgrote meerderheid van de studenten neem volle studieprogramma’s op (54-66 studiepunten).

Op het moment dat zij voor een vak niet slagen, zijn de studenten vaak vragen partij om het jaar nadien hun studieprogramma uit te breiden tot meer dan 66 studiepunten, om studieduurverlenging te vermijden. Het effect is vaak het omgekeerde.

Bovendien is niet meer glashelder te zeggen of student nu in ‘het eerste’ of in het ‘tweede’ jaar zit. Voor buitenstaanders – in de eerste plaats de ouders – is het door de flexibilisering veel moeilijker geworden om de studievoortgang van hun studenten te volgen.

Milleniumstudent

De student van vandaag is niet de student van gisteren. Voor de milleniumstudent is zijn/haar studie geen topprioriteit.

  • de student werkt – een minderheid uit noodzaak, een meerderheid om extra’s zoals (ski)reizen en iPhone te betalen
  • de student spendeert tijd op internet, m.i. Facebook: uit een Nederlands onderzoek blijkt dat Facebook gebruik de slaagcijfers doet dalen. Tijdens de blokperiode hebben heel wat studenten het moeilijk om zich te concentreren op het studeren. Afleidingen zoals Facebook en GSM bemoeilijken het studeren.
  • de student heeft last uitstelgedrag: naar schatting zou tussen 75% en de 80% van de studenten te maken krijgen met uitstelgedrag. De studenten beginnen te laat aan het studeren, papers en meesterproef.

Bovendien zijn heel veel hedendaagse studenten al tevreden met een ‘credit’ (10/20). Streven naar excellentie en hoge graden van verdienste is een zeldzaamheid geworden. De weinige studenten die wel nog naar excellentie streven, krijgen af te rekenen met sociale druk van de mede-studenten.

Wat is  er aan te doen?

Het is een complex probleem, waar geen pasklare oplossing voor bestaat. Het zal een combinatie van maatregelen vergen om de cijfers terug op te krikken. Een aantal denkpistes:

  • De afstemming tussen het secundair en het hoger onderwijs:
    • een aantal competenties zouden al volledig moeten verworven zijn in het secundair onderwijs. Alle leerlingen die het secundair onderwijs verlaten – zowel BSO-TSO-ASO – zouden voldoende taalvaardig moeten zijn in het Nederlands om een studie aan te vatten. Bij de een aantal TSO en alle ASO opleidingen zou ook de Engelse taalvaardigheid verworven moeten zijn. In het ASO moeten de leerlingen ‘leren leren’ en een aantal academische basiscompetenties moeten meekrijgen (opzoeken, schriftelijk rapporteren,..)
    • Studiekeuze zou een belangrijk thema moeten zijn in het laatste jaar secundair onderwijs. Nu zijn er wel info-avonden en SID-ins, maar daar staat rekrutering van studenten centraal, niet de goede keuze voor de student zelf. De secundaire scholen zouden de studenten op een onafhankelijke manier moeten informeren over de structuur van het hoger onderwijs, de soorten opleidingen, leerkrediet, flexibilisering etc.
  • Een vrijblijvende oriënteringsproef, als instrument om de student te helpen kiezen.
  • Een actieve studievoortgangsbewaking: studenten blijven nu – door de flexibilisering- vaak jaren ‘aanmodderen’. Door een striktere bewaking van de studievoortgang kan de student tijdig geheroriënteerd worden en wordt excessieve studieduurvertraging vermeden.
  • Een pro-actieve studentenbegeleiding: er zijn in het hoger onderwijs heel wat mogelijkheden tot begeleiding. We zouden deze begeleiding pro-actief kunnen gaan maken door studenten die slecht presteren in hun eerste examenperiode zelf te gaan contacteren om hun te wijzen op de risico’s en om de begeleiding aan te bieden. Op die manier wordt de begeleiding voldoende vroeg gestart.
  • Een actief heroriënteringsbeleid: studenten die verkeerd kiezen worden best zo vroeg mogelijk geheroriënteerd. Bij voorkeur voor of net na de eerste examenperiode. De opleidingen hebben daarin een opdracht om instromen na de eerste examenperiode te faciliteren.

Het zijn maar enkele voorstellen – die geen van allemaal zaligmakend zijn – maar dat er iets moet gebeuren, is wel duidelijk….

 

 

Integratiedebat Hoger Onderwijs (Studentencongres, Maart 2010)

0. Inleiding

Deze nota handelt over wat er met de hogescholen en de hogeschoolopleidingen dient te gebeuren na de voltooiing van de academisering in 2012-2013. In dit verhaal zijn vele partijen betrokken. Om deze complexe materie toch enigszins toegankelijk te maken, volgt eerst een opsomming van de voornaamste spelers:

• De associaties. De associaties zijn in het leven geroepen door het structuurdecreet van april 2003. Een associatie is een vereniging van een of meerdere hogescholen en een universiteit. Deze universiteit is dan verantwoordelijk voor de academisering van de hogescholen binnen de associatie.

• De universiteiten: Katholiek (vb KU Leuven), maar ook andere (vb Ugent, VUB)

• De vrije hogescholen: hogescholen die ingericht worden door een inrichtende macht, meestal Katholieke Hogescholen

• De Autonome Hogescholen: hogescholen die ingericht worden door een overheid.

Het verhaal van de academisering en de mogelijke integratie start bij de invoering van de Bachelor/Master structuur door het structuurdecreet van 4 april 2003 (Vlaams Parlement, 2003). Voor de invoering van de Ba/Ma structuur kende Vlaanderen 3 types opleidingen (Vlaams Parlement, 1994):

• De academische opleidingen: deze opleidingen ressorteerden onder de verantwoordelijkheid van de universiteit en leverden de graad van ‘licentiaat’ op.

• De professionele opleidingen: deze opleidingen ressorteerden aan de hogescholen en leverden de graad van ‘graduaat’ op.

• De opleidingen van ‘academisch niveau’: deze opleidingen ressorteerden aan de hogescholen en leverden eveneens de graad van ‘licentiaat’ op.

Het structuurdecreet reduceerde het aantal types opleidingen van 3 naar 2, namelijk professionele bachelors en academische bachelors en masters. De graduaatopleidingen werden professionele bachelors, de academische en de opleidingen van academisch niveau werden academische bachelor en master opleidingen. De opleidingen van academisch niveau werden verplicht te ‘academiseren’ naar volwaardige academische opleidingen tegen 2012-2013. Om deze academisering te begeleiden werden de associaties in het leven geroepen. Met de deadline van 2013 in het vooruitzicht rijst nu de vraag waar de academiserende opleidingen thuishoren. Als men de logica van het structuurdecreet volgt (een binaire structuur: prof bachelor vs academische bachelors en masters), horen deze opleidingen thuis in de universiteit. In zekere zin kan men dus stellen dat de integratie van de academische opleidingen in de universiteit – zij het dan niet expliciet – reeds vervat zit in het structuurdecreet. In wat volgt, wordt de mogelijkheid tot de terugkeer naar 3 types evenwel niet uitgesloten.

1. Wat is academisering?

De term academisering wordt nergens expliciet gedefinieerd. Het structuurdecreet (Vlaams Parlement, 2003) stelt in artikel 12 §3: “Academische gerichtheid houdt in dat de opleidingen gericht zijn op de algemene vorming en op de verwerving van academische of artistieke kennis en competenties eigen aan het functioneren in een domein van de wetenschappen of van de kunsten. Academische opleidingen zijn op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd.”

De NVAO stelt in haar accreditatiekader (NVAO, 2009): “Met de term academisering wordt het proces aangeduid dat er toe leidt dat het onderwijs van een opleiding steeds meer ingebed wordt in het wetenschappelijk onderzoek tot de opleiding volledig aan de voorwaarden van een academische opleiding voldoet.”

Dirk Van Damme concretiseert in zijn input voor het maatschappelijk debat wat precies de voorwaarden zijn om de verwevenheid van onderwijs en onderzoek te realiseren (Van Damme, 2010):

• Docenten in de academische opleidingen moeten over een doctoraat beschikken en actief aan onderzoek doen.

• Studenten moeten in aanraking komen met onderzoek en er zelf aan participeren.

• Academische opleidingen zijn ingebed in een omgeving en structuur die een academisch beleid kunnen voeren op het vlak van onderwijs en onderzoek, inclusief infrastructuur, personeelsbeleid, kwaliteitzorg,…

De HUB zelf geeft haar academiseringsbeleid gestalte in 4 kernpunten: het versterken van de wetenschappelijke cultuur, de inschakeling van personeel in wetenschappelijk onderzoek en de uitbouw van een sterk onderzoeksbeleid. (Raspoet, Van Puyenbroeck, & Verbeke, 2010)

Er bestaat dus consensus over het feit dat de doelstelling van de academisering erin bestaat om onderzoek en onderwijs met elkaar te verweven. Hoe deze verwevenheid het beste een permanente gestalte krijgt, hangt volledig samen met de plaats van de geacademiseerde opleidingen in het hoger onderwijslandschap. In de volgende sectie bekijken we wat de verschillende mogelijkheden zijn.

2. Quid Hogeschool- Academische Opleidingen? 

Wat moet er nu met die academische hogeschoolopleidingen gebeuren na 2012-2013. Grosso modo zijn er 3 opties:

• Alles blijft zoals het was: de hogescholen blijven de geaccrediteerde academische opleidingen aanbieden in samenwerking met de universiteit. De associaties blijven hun functie als intermediair tussen de hogescholen en de universiteiten vervullen. De status quo

• Alle opleidingen (academisch en professioneel) integreren in de universiteiten. De universiteit nieuwe stijl.

• Enkel de academische opleidingen integreren in de universiteit. De professionele opleidingen blijven bij de hogeschool. De integratie

a. De status quo

Als de hogescholen academische opleidingen blijven aanbieden, kan dit eigenlijk op 3 verschillende manieren:

• De hogescholen blijven de academische opleidingen zelf aanbieden. Voor de onderzoekscomponent worden zij ondersteund door de geassocieerde universiteit, zoals dat nu reeds het geval is. Eventueel kan een bi-diplomering met een universiteit voor de nodige ‘academische touch’ zorgen aan het diploma.

• De hogescholen blijven de academische opleidingen zelf aanbieden, volledig zelfstandig.

• De keuze van het structuurdecreet herbekijken en terugkeren naar een 3-ledige structuur. Naast bachelors en master zouden dan bijvoorbeeld ook ‘professionele” masters kunnen uitgereikt worden.

Al deze pistes worden door de nota Van Damme echter van tafel geveegd. De eerste optie beidt volgens Van Damme onvoldoende garanties op kwaliteit. De UVAH (her)lanceerde de piste echter in januari 2010: “De UVAH wil ook een piste lanceren die mogelijks de verschillende standpunten kan verzoenen, met name de gemeenschappelijke diplomering van de academisch gerichte opleidingen.” (UVAH, 2010)

De tweede optie meent hij niet realistisch omdat deze zou impliceren dat er heel wat ‘universiteiten’ bijkomen. Een dergelijke versnippering van de onderzoeksmiddelen zou nefast zijn voor de Vlaamse onderzoeksoutput: hedendaags onderzoek vergt immers schaalvergroting en concentratie.

De derde optie acht Van Damme niet optimaal omdat ze in het buitenland zelden een succesverhaal werden. Bovendien zouden volgens Van Damme deze professionele masters een te ambigue positie innemen in het Europese onderwijslandschap. De VLHORA laat echter nog een opening om deze piste te bewandelen: “De BAMA-hervorming betekent geen a priori keuze voor een binair hoger onderwijs.” (VLHORA, 2010)

M.b.t. het debat van academische versus professionele masters kan opgemerkt worden dat ook heel wat van de huidige masters aan de universiteit een beroepsfinaliteit hebben. Denken we bv. aan arts of apotheker.

b. De universiteit ‘nieuwe stijl’

In dit scenario worden alle opleidingen ondergebracht in de universiteit. Dit voorstel is volgens Van Damme geen goede piste omdat de universiteit geen goede omgeving is voor de professionele opleidingen. Professionele opleidingen hebben geen verstrengeling met onderzoek nodig, maar eerder praktijkgerichte en ondernemende cultuur. De professionele opleidingen overhevelen naar de universiteit zou nefast zijn voor hun kwaliteit, identiteit en arbeidsmarktpositie, aldus Van Damme.

c. De integratie

De integratie van de geacademiseerde hogeschoolopleidingen in de universiteit wordt al wat impliciet gesuggereerd in het structuurdecreet, zoals hierboven aangegeven. Ook de Universiteit Leuven speelt al geruime tijd met het idee. Ten tijde van de vorige rector, Marc Vervenne, werd het plan voor een “Kennis – en competentienetwerk KU Leuven” gelanceerd, wat eigenlijk neerkwam op een integratie. Na heel wat discussie moest het KCN baan ruimen voor het LUS (Leuvens Universitair Systeem). De uitwerking van het LUS was op het einde van de ‘legislatuur’ van Rector Vervenne in de lente van 2009 al vrij ver gevorderd.

Ook in de rapporten van de Commissie Soete (Ministeriele Commissie Rationalisatie HO, 2008) vinden we een pleidooi voor de integratie van de academische opleidingen in de universiteit

De associatie KU Leuven bevestigde onlangs expliciet haar voorkeur voor een integratie (Associatie KU Leuven, 2010). “De associatie KU Leuven is voorstander van de integratie van de academische hogeschoolopleidingen volgens de principes die werden afgesproken in de commissie Soete.”

Het VVKHO neemt uiteraard hetzelfde standpunt in, niet in het minst omdat quasi alle Vlaamse Katholieke Hogescholen partner zijn in de associatie KU Leuven. In een nota aan de VLHORA stelt het VVKHO duidelijk: “De Katholieke hogescholen zijn van mening dat deze opleidingen (de academiserende opleidingen, red) na 2012-2013 thuishoren aan de universiteit.”

Ook de nota Van Damme (Van Damme, 2010) pleit voor een integratie: “Aanbeveling: De Vlaamse Regering bevestigt zo spoedig mogelijk de politieke doelstelling om het academiseringsproces te voltooien door alle academische opleidingen in de universiteiten in integreren.”

Er klinkt dus een luide roep voor de integratie van de geacademiseerde opleidingen in de universiteit, al is een consensus nog geenszins bereikt. Bovendien is de invulling van die integratie (als voor die optie gekozen wordt) stof voor een nieuw debat. Van Damme ziet de integratie als een volledige overname van alle bevoegdheden door de universiteit: “De essentialia inzake academische verantwoordelijkheid worden best integraal onder de verantwoordelijkheid en het rechtstreekse bestuur van de universiteit gehouden” (Van Damme, 2010). Van Damme gaat zelfs nog verder: “… de integratie van de academische opleidingen in de universiteit heeft slechts zin voor de studenten wanneer zich op zekere hoogte een de facto fysieke integratie met de universitaire onderzoeksomgeving manifesteert.” Met andere woorden, de studenten moeten voor heel wat zaken zich fysiek verplaatsen naar de universiteit. Hij voegt daar wel aan toe dat de er voorzieningen moeten getroffen worden met de NMBS, de Lijn en de MIVB. (Van Damme, 2010)

De associatie KU Leuven kiest voor een mildere vorm van integratie. De belangrijkste bevoegdheden verhuizen wel naar de universiteit: “De integratie betreft in de eerste plaats een verantwoordelijkheidsintegratie: de universiteit krijgt de eindverantwoordelijkheid voor de kwaliteit en de profilering van de opleidingen en het onderzoek.” (Associatie KU Leuven, 2010)

De associatie KU Leuven laat wel een beetje ruimte voor de terugdelegatie van een aantal bevoegdheden naar de hogescholen: “Deze integratie van verantwoordelijkheid gebeurt evenwel met delegatie van belangrijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor de organisatie, ontwikkeling en profilering van de academische opleidingen op de hogeschoolcampussen naar de directies en besturen van de hogescholen. Dergelijk medebestuur van de hogescholen is cruciaal, onder meer met hoog op het bevorderen van de dwarsverbanden tussen de academische en de professionele opleidingen, de sterkten en de lokale verankering van de opleidingen, de lokale rekrutering en de profilering in de regio.” (Associatie KU Leuven, 2010)

Van Damme is niet akkoord: “Vanuit diverse hoek is in de voorbije maanden gesuggereerd om de regie over de opleidingen na de integratie opnieuw uit te besteden aan de hogescholen, waarbij de universiteit haar rol eerder op afstand vervult. Dit lijkt me geen goed en zelfs een riskant model. “ (Van Damme, 2010)

Dat er een integratie moet komen van de academische opleidingen in de universiteit, daar zijn de commissie Soete, Van Damme en de  associatie KU Leuven het over eens. De mate van integratie en de verdeling van bevoegdheden tussen de hogescholen en de universiteiten is een debat dat nog in alle hevigheid gevoerd wordt. Waarschijnlijk zal de komende maanden dit debat stevig aangewakkerd worden.

d. Wat zal het worden en wanneer?

Dit is een bijzonder moeilijke vraag en kan onmogelijk met zelfs nog maar een benadering van zekerheid beantwoord worden. Als we dan toch een favoriet moeten aanduiden, lijkt het mij dat de oplossing van de integratie ‘model KU Leuven’ als oplossing uit de bus zal moeten komen. Dit omwille van volgende argumenten:

• De associatie KU Leuven vertegenwoordigt ongeveer de helft van het aantal studenten in het hoger onderwijs in Vlaanderen. Het hoeft dus geen betoog dat deze stem zwaar weegt in het debat.

• Het model van de KULeuven is een compromis ‘op z’n  Belgisch’ tussen de ‘status quo’ en de ‘integratie model Van Damme’

Het lijkt de politieke intentie om de knoop door te hakken tegen het einde van dit jaar.

3. Quid professionele opleidingen?

Voor de professionele opleidingen zijn er twee mogelijkheden: ofwel blijven zij bij de hogescholen ofwel verhuizen ze mee naar de universiteit, die dan een ‘universiteit nieuwe stijl’ wordt. Voor de tweede optie zijn er niet echt veel grote fans. Als de professionele opleidingen bij de hogescholen blijven, dan is het wel van groot belang hoe die hogescholen eruit zien. Op dit moment kent het Vlaamse hoger onderwijs 2 soorten van hogescholen: hogescholen die uitsluitend professionele opleidingen aanbieden en hogescholen die zowel professionele als academische opleidingen aanbieden.  In de tweede soort van hogescholen (zoals de HUB) is er een ‘interactie’ tussen de beide types opleidingen.

“De associatie KU Leuven is voorstander van de dwarsverbanden tussen de professionele en academische opleidingen te versterken: “Integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteit in onlosmakelijk verbonden met het versterken van de dwarsverbanden tussen de professionele en alle academische opleidingen.” (Associatie KU Leuven, 2010)

Van Damme ziet dat anders, hij is van mening dat de invloed van de academische opleidingen op de professionele op de langere termijn zelfs nefast is voor de professionele opleidingen. “Weinigen zullen betwisten dat sommige hogescholen die enkel professionele opleidingen aanbieden tot de beste in Vlaanderen gerekend kunnen worden.” En “Heeft de band en de nabijheid tussen professionele en academische opleidingen in het verleden inderdaad een positieve rol gespeeld, dan is het veel minder duidelijk of deze positieve impact ook in de toekomst gegarandeerd of zelfs noodzakelijk is. De vraag kan gesteld worden of de vermenging van professionele en academische opleidingen na verloop van tijd niet eerder tot nefaste rolvervaging , met name in de vorm van ‘academic drift’ bij professionele opleidingen, zou kunnen leiden”. (Van Damme, 2010) Van Damme is dus duidelijk voorstander van een heel strikte scheiding tussen de academische en de professionele opleidingen. Hij pleit daarbij wel voor een versterking van de professionele opleidingen, onder meer  door extra financiering, 4-jarige opleidingen en de uitbouw van het HBO5 onderwijs. (Van Damme, 2010) De vraag is echter of de budgettaire situatie van de Vlaamse Regering een dergelijke operatie toelaat. Het onderwijsbudget heeft al een sterke injectie nodig om de academisering te kunnen dragen.

In welke mate de dwarsverbanden tussen de academische en professionele opleidingen zullen blijven bestaan is dus nog ver van een uitgemaakte zaak.  Mocht men opteren voor een strikte scheiding tussen de academische en professionele opleidingen (met andere woorden, ook een sterke scheiding in centen), zullen sommige hogescholen onder de drempelnormen vallen. Van Damme komt met een oplossing: “Een nieuwe beweging van concentratie en fusies van hogescholen lijkt dan ook onvermijdelijk.” (Van Damme, 2010) Van Damme pleit wel voor de reductie van het aantal vestigingsplaatsen per opleiding. De Associatie KU Leuven is tegen: “De keuze voor integratie houdt geen verandering van de vestigingsplaatsen in.” (Associatie KU Leuven, 2010)

Mocht de visie Van Damme het halen, zou dit een grondige herschikking betekenen van het professionele onderwijslandschap. Een aantal kleinere vestigingsplaatsen zou verdwijnen door fusie en concentratie.

4. Gevolgen voor de HUB

De gevolgen voor de HUB zijn uiteraard verschillend per gekozen piste. Over de status-quo kunnen we kort zijn: er verandert dan voor de HUB studenten weinig. Volgens mij heeft de HUB ook voldoende onderzoekscapaciteit en expertise om in de optie van de status-quo voldoende garantie te bieden op academische kwaliteit. In (semi)-politieke kringen is deze optie echter ‘geen optie’.

We bekijken dus de mogelijke gevolgen in de scenario’s  van integratie: de integratie ‘Van Damme’ en de integratie ‘KU Leuven’. Uiteraard is het op dit moment niet mogelijk om alle gevolgen in te schatten. We gaan uit van de op dit moment beschikbare informatie.

De visie ‘Van Damme’ zou voor de HUB absoluut nefast zijn, omwille van een aantal argumenten:

• De middelen van de academische opleidingen zijn een ‘conditio sine qua non’ voor het financieel overleven van de HUB. Als de professionele opleidingen niet langer kunnen genieten van wat academische ruggensteun, komt hun voortbestaan in het gedrang. Van Damme pleit wel voor extra financiering voor het Brusselse hoger onderwijs in de vorm van een ‘Brusselnorm’ (Van Damme, 2010), maar de vraag is hoe groot die zal zijn, gezien de budgettaire ruimte. De fusie met de Kaho Sint-Lieven kan een rol gaan spelen in deze context.

• De HUB ziet de combinatie van de academische en de professionele opleidingen als een sterkte. Daartoe werkt zij al enige tijd aan bijvoorbeeld een heroriënteringsbeleid van HW naar bedrijfsmanagement en omgekeerd zijn er diverse schakelprogramma’s. Met het loslaten van deze dwarsverbanden, zou deze troef dan ook meteen verdwijnen.

• De academisering hangt nauw samen met de profilering van haar academische opleidingen. In het bijzonder het eigen profiel van de opleiding Handelswetenscahppen tov TEW, HI Brussel tov HI KUL en Toegepaste Taalkunde tov Taal –en letterkunde. Zeker de profilering van HW vs TEW is de laatste tijd een hot topic. Naar mijn inziens hebben beiden een andere finaliteit naar de arbeidsmarkt toe, ergo zijn beide complementair ergo hebben ze beide een maatschappelijk nut, ergo een bestaansrecht. Van Damme is het daar niet mee eens en pleit voor een ‘rationalisatie’ op dit vlak: “Het verdient de aanbeveling om de verschillende profielen aan een kritische toets te onderwerpen, waarbij de visie van de sociale partners gehoord wordt. Bijvoorbeeld kan de vraag gesteld worden of het onderscheid tussen handelswetenschappen en toegepaste economische wetenschappen wel zo diepgaand is en niet eerder de huidige feitelijke toestand – en de perceptie ervan – dan de wenselijke toestand weerspiegelt.” (Van Damme, 2010). Van Damme pleit hier – weliswaar een beetje omfloerst – eigenlijk voor de afschaffing van handelswetenschappen. Op andere fora hoort men al het idee om HW en TEW te fuseren en dan met major en minor onderdelen te werken. Het hoeft geen betoog dat beide pistes voor de HUB absoluut ongunstig zouden zijn.

De visie van de KU Leuven is op een aantal vlakken genuanceerder, hoewel zij ook niet zonder gevaar is. Veel hangt af van welke bevoegdheden de KULeuven terugdelegeert aan de hogescholen. Gaat het louter of het ‘campusmanagement’ of wordt de profilering en de invulling van de opleidingen eveneens bij de hogescholen gelegd? En wat met de dienstverlening? Als we wat we op dit moment horen, extrapoleren ziet deze autonomie er vrij beperkt uit. De opleidingen zouden onder een subfaculteit vallen, met een subfaculteitsvoorzitter (ter vervanging van de huidige decaan). De verantwoordelijkheid komt echter bij de decaan van de KULeuven en het beslissingscentrum verhuist naar de faculteitsraad van de universiteit.

Voor de dienstverlening zien we een zelfde verhaal: voor alle mogelijke domeinen (IT, Studentenadministratie, studentenbeleid zoals geconcretiseerd in het O&ER, bibliotheken,..) komen steeds meer richtlijnen vanuit de associatie ergo de KULeuven. De eigen autonomie (en dus profilering) van de individuele hogescholen wordt steeds kleiner. Met de implementatie van het Leuvense SAP softwaresysteem voor de administratie van alle associatiepartners verdwijnt een belangrijke hefboom voor autonomie, differentiatie en profilering. Hetzelfde geldt voor eenzelfde onderwijs- en examenreglement. Het invoeren van de nultolerantie in de master is een voorafschaduwing van hoe het er in de toekomst zal aan toegaan.

Als er een keuze tussen gemaakt dient te worden tussen de integratie ‘Van Damme’ en de integratie ‘KU Leuven’, verdient de piste KU Leuven de voorkeur, maar geen van beide zijn ideaal voor de HUB.

5. Conclusie

Het debat over de toekomst van de academische opleidingen is volop aan de gang. De standpunten van de verschillende tenoren zijn gekend, het is nu aan de ministeriële werkgroep om voorstellen te doen. Het zal uiteindelijk de politieke overheid zijn die de knopen zal doorhakken. Hopelijk houden de tenoren voldoende rekening met de bezorgdheden van de hogescholen. Want de academische hogeschoolopleidingen hebben wel degelijk een maatschappelijke meerwaarde, niet in het minst erkend door de arbeidsmarkt. Laat deze niet verloren gaan!

Hopelijk hebben ze ook oor voor de belangen van een belangrijke actor in dit debat: de studenten. Het verdwijnen van de academische hogeschoolopleidingen met een eigen profiel (langzaam in de integratievisie van de associatie KULeuven, snel in de visie van Van Damme)   beperkt de mogelijkheden voor de instromende studenten om een opleiding te kiezen waarvan het profiel zo dicht mogelijk bij het hunne aansluit. Anderzijds zullen zij bij heroriëntering na een verkeerde studiekeuze verplicht worden naar een ‘andere wereld ‘ over te stappen, en er zich opnieuw aan te passen.  Ook op dit vlak hebben hogescholen die academische en professionele opleidingen combineren een maatschappelijke meerwaarde.

 

Associatie KU Leuven. (2010). Standpunt Associatie KU Leuven m.b.t. academisering en integratie. RVB vzw Associatie KU Leuven 20100115.

Ministeriele Commissie Rationalisatie HO. (2008). Optimalisatie en rationalisatie van het hoger onderwijslandschap en -aanbod.

NVAO. (2009). Accreditatiekader bestaande. Den Haag: NVAO.

Raspoet, G., Van Puyenbroeck, T., & Verbeke, T. (2010). Academiseringsbeleid Faculteit Economie & Management. Brussel.

UVAH. (2010). UVAH-standpunt over integratie. UVAH.

Van Damme, D. (2010). De toekomst van de academische hogeschoolopleidingen in het Vlaamse hogeronderwijslandschap – Synthesenota op vraag van de Vlaamse Regering.

Vlaams Parlement. (2003, 08 14). Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Belgisch Staatsblad .

Vlaams Parlement. (1994, 08 31). Decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Belgisch Staatsblad .

VLHORA. (2010). Discussienota gemeenschappelijk standpunten maatschappelijk debat. Brussel: AV VLHORA.