Waarom de slaagcijfers dalen en wat er aan te doen

Waarom de slaagcijfers dalen?

Slechts 28% van de studenten zou slagen in het eerste jaar Hoger Onderwijs (DS 11/3/2011). Er wordt met een beschuldigende vinger gewezen naar de flexibilisering. De flexibilisering is zeker een van de oorzaken, maar is er meer aan de hand.

Instroom

De instroom in het hoger onderwijs is breder en diverser geworden op allerlei vlakken. Verder studeren is een ‘must’ geworden, een bachelor een minimum en als het even kan een master. Studenten vatten door deze druk in een aantal gevallen een opleiding aan zonder over de juiste aanvangscompetenties te beschikken. Zo zagen we in academiejaar 2008-2009 73 studenten uit het TSO inschrijven voor de opleiding Handelswetenschappen. Daarvan haalde slechts 12% een studie efficiëntie van 75%. Dat wil dus zeggen dat 12% van de studenten voor 75% of meer van het aantal studiepunten een credit of een getolereerde onvoldoende behaalden. Bij hun collega-studenten van het ASO was dat 46%.

Bij de professionele opleidingen zien we een gelijkaardig fenomeen. Waar in 2005-2006 8 studenten uit het BSO de opleiding kleuteronderwijs aanvatten, is dat in 2009-2010 verdrievoudigd. Hun studie efficiëntie bedroeg 40%, dat van hun collega’s uit het TSO 68% en uit het ASO 71%.

Daarnaast neemt ook het aantal studenten met taalachterstand toe, door de instroom van allochtone groepen.

Flexibilisering

De flexibilisering is zou ‘an sich’ voor een stijging van het slaagpercentage moeten zorgen. Studenten kunnen immers op hun eigen ritme studeren, en het aantal studiepunten dat ze opnemen afstemmen op hun persoonlijke situatie: vooropleiding (zie hierboven), persoonskenmerken,etc. In de praktijk merken we echter dat een overgrote meerderheid van de studenten neem volle studieprogramma’s op (54-66 studiepunten).

Op het moment dat zij voor een vak niet slagen, zijn de studenten vaak vragen partij om het jaar nadien hun studieprogramma uit te breiden tot meer dan 66 studiepunten, om studieduurverlenging te vermijden. Het effect is vaak het omgekeerde.

Bovendien is niet meer glashelder te zeggen of student nu in ‘het eerste’ of in het ‘tweede’ jaar zit. Voor buitenstaanders – in de eerste plaats de ouders – is het door de flexibilisering veel moeilijker geworden om de studievoortgang van hun studenten te volgen.

Milleniumstudent

De student van vandaag is niet de student van gisteren. Voor de milleniumstudent is zijn/haar studie geen topprioriteit.

  • de student werkt – een minderheid uit noodzaak, een meerderheid om extra’s zoals (ski)reizen en iPhone te betalen
  • de student spendeert tijd op internet, m.i. Facebook: uit een Nederlands onderzoek blijkt dat Facebook gebruik de slaagcijfers doet dalen. Tijdens de blokperiode hebben heel wat studenten het moeilijk om zich te concentreren op het studeren. Afleidingen zoals Facebook en GSM bemoeilijken het studeren.
  • de student heeft last uitstelgedrag: naar schatting zou tussen 75% en de 80% van de studenten te maken krijgen met uitstelgedrag. De studenten beginnen te laat aan het studeren, papers en meesterproef.

Bovendien zijn heel veel hedendaagse studenten al tevreden met een ‘credit’ (10/20). Streven naar excellentie en hoge graden van verdienste is een zeldzaamheid geworden. De weinige studenten die wel nog naar excellentie streven, krijgen af te rekenen met sociale druk van de mede-studenten.

Wat is  er aan te doen?

Het is een complex probleem, waar geen pasklare oplossing voor bestaat. Het zal een combinatie van maatregelen vergen om de cijfers terug op te krikken. Een aantal denkpistes:

  • De afstemming tussen het secundair en het hoger onderwijs:
    • een aantal competenties zouden al volledig moeten verworven zijn in het secundair onderwijs. Alle leerlingen die het secundair onderwijs verlaten – zowel BSO-TSO-ASO – zouden voldoende taalvaardig moeten zijn in het Nederlands om een studie aan te vatten. Bij de een aantal TSO en alle ASO opleidingen zou ook de Engelse taalvaardigheid verworven moeten zijn. In het ASO moeten de leerlingen ‘leren leren’ en een aantal academische basiscompetenties moeten meekrijgen (opzoeken, schriftelijk rapporteren,..)
    • Studiekeuze zou een belangrijk thema moeten zijn in het laatste jaar secundair onderwijs. Nu zijn er wel info-avonden en SID-ins, maar daar staat rekrutering van studenten centraal, niet de goede keuze voor de student zelf. De secundaire scholen zouden de studenten op een onafhankelijke manier moeten informeren over de structuur van het hoger onderwijs, de soorten opleidingen, leerkrediet, flexibilisering etc.
  • Een vrijblijvende oriënteringsproef, als instrument om de student te helpen kiezen.
  • Een actieve studievoortgangsbewaking: studenten blijven nu – door de flexibilisering- vaak jaren ‘aanmodderen’. Door een striktere bewaking van de studievoortgang kan de student tijdig geheroriënteerd worden en wordt excessieve studieduurvertraging vermeden.
  • Een pro-actieve studentenbegeleiding: er zijn in het hoger onderwijs heel wat mogelijkheden tot begeleiding. We zouden deze begeleiding pro-actief kunnen gaan maken door studenten die slecht presteren in hun eerste examenperiode zelf te gaan contacteren om hun te wijzen op de risico’s en om de begeleiding aan te bieden. Op die manier wordt de begeleiding voldoende vroeg gestart.
  • Een actief heroriënteringsbeleid: studenten die verkeerd kiezen worden best zo vroeg mogelijk geheroriënteerd. Bij voorkeur voor of net na de eerste examenperiode. De opleidingen hebben daarin een opdracht om instromen na de eerste examenperiode te faciliteren.

Het zijn maar enkele voorstellen – die geen van allemaal zaligmakend zijn – maar dat er iets moet gebeuren, is wel duidelijk….

 

 

Dit bericht is geplaatst in Opiniestukken met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie